Soeverein betekent de hoogste macht = geen menselijk gezag boven jou aan wie je verantwoordelijkheid moet afleggen

Elke man/vrouw is op zich, soeverein want we zijn allemaal gelijk geboren en boven elk van ons staat enkel onze schepper. Elke man/vrouw die macht verwerft of macht beoogd boven een medemens, handelt tegen de natuurwet in. Als elke man/vrouw leeft conform de natuurwet: berokken nooit kwaad of schade (=wees een bron van liefde) dan hebben we geen gezag boven ons nodig. Doch, zolang de man/vrouw verzand in persoonlijke begeertes, ben je een gevaar voor jezelf en de ander en ontstaat een rangorde van leiders en lijders. In het ideale geval staat en leider spontaan op om de lijders te begeleiden en te dienen. Want zolang je medemens lijdt, kan je niet vrij zijn. Het is de taak van de leiders om de lijders zo te motiveren en te ondersteunen dat zij ook de omslag van lijden naar leiden kunnen maken. Lijden is overleven = zelfafwijzing, leiden is leven vanuit vertrouwen en geweten (innerlijk weten). 

Op vandaag zien we dat lijders die lijden aan hebzucht en isolatie, de plaats van leiders ingenomen waardoor broederschap vervangen wordt door winst met alle oorlog, haat, pijn en lijden als gevolg.

Wat zegt de etymologie over soverein

In die betekenis heeft onze taal dit woord in de 13de eeuw ontleend aan het Franse woord s(o)uverain, dat via de vulgair Latijnse taalvorm superanus (voornaamste) teruggaat op het Latijnse woord voor boven (super). 

Het begrip soevereiniteit werd in de moderne betekenis in het vocabulaire geïntroduceerd door Jean Bodin (1530-1596), een politiek filosoof uit de tijd van de Renaissance. Etymologisch gezien is de term vermoedelijk afgeleid uit het Latijn: superanus of suprema potestas.  bron 

sovereignty (n.)

late 14c., soverainte, “pre-eminence, excellence, superiority;” also “authority, rule, supremacy of power or rank,” from Anglo-French sovereynete, Old French souverainete, from soverain (see sovereign (adj.)). The meaning “existence as an independent state” is from 1715; the general sense of “state or character of being in power” is by 1860. Sovereignness (1580s) seems to be disused.
also from late 14c.

sovereign (adj.)

early 14c., of persons, “great, superior, supreme;” mid-14c., “having supreme power;” from Old French soverain “highest, supreme, chief,” from Vulgar Latin *superanus “chief, principal” (source also of Spanish soberano, Italian soprano), from Latin super “over” (from PIE root *uper “over”). Of remedies or medicines, “potent in a high degree,” from late 14c.

sovereign (n.)

late 13c., soverain, “superior, ruler, master, one who is superior to or has power over another,” from Old French soverain “sovereign, lord, ruler,” noun use of adjective meaning “highest, supreme, chief” (see sovereign (adj.)). Specifically by c. 1300 as “a king or queen, one who exercises dominion over people, a recognized supreme ruler of a realm.” Also of Church authorities and heads of orders or houses as well as local civic officials.

Middle English had a tendency to add an unetymological -t to it, as in pheasant, tyrant. The spelling also was influenced by folk-etymology association with reign. Middle English Compendium lists 38 spellings including suffereignes; Elizabeth I, who was one, spelled it seven different ways. Milton prints it sovran, as though from Italian sovrano.

The meaning “gold coin worth 22s 6d” is attested from late 15c.; the value of it changed 1817 to 1 pound. In the political writings of 17c.-18c. it often has a sense of “the populace as the source of political power, the community in its collective and legislative capacity” and can be opposed to monarch. bron