Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-44

ZITTING 2001-2002

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in ’t Nederlands – (Fr.): Vraag gesteld in ’t Frans


Minister van Financiën

Vraag nr. 1283 van de heer de Clippele d.d. 11 mei 2001 (Fr.) :
BTW. ­ Inning.

1. Vindt u dat de ontvanger het bevelschrift mag betekenen niettegenstaande hij ervan op de hoogte is gebracht dat de belastingplichtige in contact staat met de administratie en die nog geen standpunt heeft ingenomen : mag hij het bevelschrift betekenen zonder dat er verjaring is opgetreden ? Indien ja, dient hij zich dan te beperken tot de gevallen waarin volgens hem de belangen van de Schatkist in gevaar komen en dient hij volgens u het gebruik van het bevelschrift te motiveren ?

Mag hij in het geval dat de verjaring zeer nabij is, het bevelschrift zonder voorafgaande kennisgeving betekenen of dient hij, behalve in de gevallen dat de rechten van de Schatkist in het gevaar komen, de belastingplichtige vooraf uit te nodigen om van de gelopen tijd van de verjaring af te zien ?

2. Kan in het volgende stadium, wanneer uit het dossier blijkt dat de aanspraken van de administratie worden betwist, de ontvanger die een bevelschrift heeft betekend en die door de belastingplichtige ervan op de hoogte is gebracht dat er bij de rechtbank daartegen beroep zal worden aangetekend, toch onmiddellijk en zonder voorafgaande kennisgeving aan de belastingplichtige overgaan tot de uitvoering en dat zonder te verwijzen naar het gevaar voor de Schatkist of een andere beweegreden ?

3. Kan volgens u de BTW-ontvanger een hypotheek vestigen op de goederen van de belastingplichtige zonder zijn beslissing (vooraf of achteraf) formeel te motiveren ?

Is u wanneer het gaat om een schuld die betwist wordt een andere mening hieromtrent toegedaan dan wanneer het gaat om een schuld die niet betwist wordt ?

Ik wijs erop dat de ontvangkantoren van de directe belastingen door toepassing van de rondzendbrief betreffende de formele motivatie van administratieve handelingen tenminste gedeeltelijk verplicht zijn informatie te verstrekken aan de belastingplichtige.

Voor zover ik weet is het in de praktijk zo dat de diensten die instaan voor de inning van de BTW van mening zijn dat ze geen motivatie verschuldigd zijn. Bent u op de hoogte van die situatie ?

Antwoord : 1 en 2. De uiteenzetting van het verloop van de invorderingsprocedure op het vlak van de BTW laat het geachte lid toe de elementen van antwoord te vinden op de vragen 1 en 2 met betrekking tot het dwangbevel.

Het systeem van de inning van de BTW rust op elke belastingplichtige die de BTW voor rekening van de Schatkist int. Overeenkomstig artikel 22 van de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen is de betaling opeisbaar « bij de indiening van de periodieke aangifte ». Daarom legt artikel 53, eerste lid, 3º, van het BTW-Wetboek aan de belastingplichtige de verplichting op om in zijn periodieke aangifte het bedrag te vermelden van zijn onder de BTW belastbare handelingen, zowel inkomende als uitgaande, alsook het saldo dat hij aan de Schatkist verschuldigd is en dat hij gehouden is te betalen op het ogenblik van het indienen van deze aangifte.

Krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde wordt, wanneer de belastingplichtige nalaat zijn betaal- en/of aangifteverplichtingen na te komen, een bijzondere rekening bijgehouden, gevolgd door de opmaak van een invorderingsorder. In geval van een controle naar de juistheid van de aangegeven bedragen, leidt een voor akkoord ondertekende regularisatie-opgave of een proces-verbaal bij niet-akkoord vanwege de belastingplichtige, tot het opstellen van een invorderingsorder.

Ingevolge dit invorderingsorder worden aan de belastingplichtige minstens twee uitnodigingen tot betaling gezonden. Bij hoogdringendheid wordt hem slechts één uitnodiging tot betaling gericht. Iedere uitnodiging tot betaling vormt voor de belastingplichtige een voorafgaandelijk bericht.

Artikel 85, § 1, van het BTW-Wetboek stelt dat bij niet-betaling, een dwangbevel wordt uitgevaardigd door de met de invordering belaste ambtenaar, dit is de ontvanger.

Het is belangrijk te herinneren dat de ontvanger, in het kader van zijn opdracht, onder zijn persoonlijke en geldelijke aansprakelijkheid handelt. Deze aansprakelijkheid vloeit voort uit artikel 66 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit.

Krachtens artikel 85, § 2, van het BTW-Wetboek, stelt de betekening of de kennisgeving van het dwangbevel de belastingplichtige in staat verzet aan te tekenen en stuit het de verjaringstermijn. Bovendien biedt deze betekening of kennisgeving aan de administratie de mogelijkheid om diverse bewarende en uitvoerende maatregelen te treffen die in het BTW-Wetboek of in het gemeen recht zijn voorzien.

Inzake BTW geldt als algemene regel dat de motieven in de akte zelf worden uiteengezet, vermits de motivering in beginsel deel uitmaakt van de eigenlijke beslissing. Bijgevolg is het dwangbevel steeds in rechte en in feite gemotiveerd, waardoor wordt beantwoord aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Bovendien vormt het proces-verbaal één geheel met het dwangbevel en vult het aan, zodat de belastingplichtige de gegrondheid van zijn schuldvordering kan verifiëren.

De vervolgingen zijn daarentegen de materiële uitvoering van de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel, dat bevel inhoudt tot tenuitvoerlegging. Zij vormen dus geen bestuurlijke handelingen als bedoeld in de wet van 29 juli 1991.

Wat de stuiting van de verjaring betreft, is de administratie van oordeel dat een dwangbevel kan worden uitgevaardigd en betekend of ter kennis gebracht met dat enige doel.

Krachtens artikel 89 van het BTW-Wetboek kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts worden gestuit door een vordering in rechte. Bijgevolg mag de ontvanger, bij gebrek aan een formeel verzet tegen het dwangbevel, overgaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

3. Voor de invordering van de belasting, van de interesten en van de kosten, beschikt de Schatkist op grond van artikel 86 van het BTW-Wetboek over een wettelijke hypotheek op alle in België gelegen goederen van de belastingschuldigen. Een administratieve instructie preciseert de door de BTW-ontvanger te volgen regels voor de inschrijving van deze wettelijke hypotheek.

Het is inderdaad juist dat de BTW-ontvangers en deze van de directe belastingen de inschrijving van de wettelijke hypotheek niet op dezelfde wijze motiveren.

Momenteel onderzoeken de centrale diensten van de administratie van de Invordering de mogelijkheden tot harmonisatie van de bij de inschrijving van de wettelijke hypotheek te volgen procedures.

De aandacht van het geachte lid wordt gevestigd op het feit dat, indien de gestelde vraag een of meerdere concrete gevallen beoogt, de centrale diensten van de administratie van de Invordering ter beschikking blijven voor een nader onderzoek van deze gevallen.

bron