Het bewijs

Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht (art. 1315 Burgerlijk Wetboek).

Iedere partij moet het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert (art. 870 Gerechtelijk Wetboek).

Uit deze bepalingen volgt dat degene die zich op een recht beroept behoort aan te tonen dat alle voorwaarden voorhanden zijn die het recht doen ontstaan waarop hij zich beroept. Het Hof van Cassatie bevestigde deze regel in een arrest van 7 september 2020.

Het Hof van Cassatie verbrak het arrest omdat het hof van beroep de bewijslast van de aannemer ten onrechte verlegde naar de opdrachtgever. Hierdoor schond het hof van beroep de artikelen 1315 oud BW en 870 Ger. W.

Met dit arrest bevestigt het Hof van Cassatie haar eerdere rechtspraak (Cass. 21 januari 2016, nr. C.14.0470.N) dat een aannemer die betaling vordert voor werken moet bewijzen dat hij de werken heeft uitgevoerd indien de opdrachtgever aanvoert dat de werken of een gedeelte ervan niet door de aannemer werden uitgevoerd. Het arrest is dus geen vernieuwing, maar eerder een benadrukking van het aloude adagium ‘actori incumbit probatio’, of anders gezegd: ‘hij die iets beweert, is het bewijs schuldig’.

Deze interpretatie van artikel 1315 oud BW en artikel 870 Ger. W. blijft ook na inwerkingtreding van de nieuwe bewijsregels in boek 8 van het Burgerlijk Wetboek relevant. Artikel 8.4 BW behoudt namelijk de krachtlijnen van de bewijslastverdeling, maar herformuleert wel de inhoud van artikel 1315 oud BW: hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen; en hij die beweert bevrijd te zijn, moet op zijn beurt de rechtshandelingen of feiten bewijzen die zijn bewering ondersteunen. Deze ruimere formulering (die afstapt van het begrip ‘uitvoering van een verbintenis’) bevestigt dat deze bepaling een ruimer toepassingsgebied heeft dan enkel het verbintenissenrecht. De keuze voor de algemene term ‘bevrijding’ en het schrappen van de termen ‘betaling’ of ‘tenietgaan van de verbintenis’ onderschrijven de ruime interpretatie die de rechtspraak toekent aan deze regel.

  • De duidelijke en ondubbelzinnige uitdrukking van de wil

De schuldenaar wordt in gebreke gesteld, hetzij door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte, hetzij door de overeenkomst zelf, wanneer deze bepaalt dat de schuldenaar in gebreke zal zijn zonder dat enige akte nodig is en door het enkel verschijnen van de vervaltijd (art. 1139 Burgerlijk Wetboek).

Schadevergoeding is dan eerst verschuldigd wanneer de schuldenaar in gebreke is zijn verbintenis na te komen, behalve indien hetgeen de schuldenaar zich verbonden heeft te geven of te doen, niet kon gegeven of gedaan worden dan binnen een bepaalde tijd, die hij heeft laten voorbijgaan (Art. 1146 Burgerlijk Wetboek).

De wettelijke interest is verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling, behalve ingeval de wet ze van rechtswege doet lopen (Art. 1153, derde lid, Burgerlijk Wetboek).

Deze bepalingen houden in dat, om schadevergoeding te kunnen vorderen, bestaande uit de wettelijke interest, de schuldeiser in principe aan zijn schuldenaar duidelijk en ondubbelzinnig moet te kennen geven dat hij wil dat de verbintenis wordt uitgevoerd.

Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen zijn beslissing naar recht heeft kunnen afleiden.

De appelrechters stellen vast dat bv BP bij aangetekende brief van 29 augustus 2015 GM verzocht om tot de definitieve oplevering over te gaan.

De appelrechters beslissen op grond van die enkele vaststelling dat de door bv BP gevorderde wettelijke interest verschuldigd is vanaf de datum van ingebrekestelling. Maar ze stellen niet vast dat de aangetekende brief de duidelijke en ondubbelzinnige uitdrukking van de wil van bv BP bevat om van GM betaling te verkrijgen van de gevorderde bedragen. Zo schenden ze de artikelen 1139, 1146 en 1153, derde lid, Burgerlijk Wetboek.

  • Het recht van verdediging

GM vorderde een contractueel overeengekomen vertragingsboete.

Bv BP verweerde zich tegen de berekening van deze vertragingsboete, maar voerde niet aan dat het bedrag van de vertragingsboete diende te worden verminderd bij toepassing van artikel 1231 Burgerlijk Wetboek.

De appelrechters verminderen de contractueel bedongen vertragingsboete op grond van het ambtshalve opgeworpen artikel 1231 Burgerlijk Wetboek, zonder de partijen toe te laten hierover tegenspraak te voeren. Ze miskennen het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Het Hof vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.