Ca. 1750 v.Chr. – Codex Hammurabi (Babylonië)
Een vroege, uitgebreide codificatie van recht. Niet “mensenrechten” in moderne zin, maar wél het besef dat regels openbaar en voorspelbaar moeten zijn: rechtszekerheid, proportionele straf en procedurele waarborgen beginnen hier vorm te krijgen.
539 v.Chr. – Cyruscilinder (Oud-Perzië)
Cyrus de Grote kondigt vrijheid van religie, opheffing van slavernij en gelijkheid van volkeren af. Vaak gezien als het eerste “handvest” met mensenrechtelijke strekking; zijn geest ligt dicht bij de latere UVRM-artikelen.
5e–1e eeuw v.Chr. – Griekse en Romeinse ideeën
Stoïcijnen spreken over universele rede en aangeboren waardigheid van de mens en maakt deel uit van een universele orde (logos). In het Romeins recht ontstaat het ius gentium (recht voor “alle volkeren”), een vroege gedachte richting universaliteit. → Basis voor het denken dat rechten universeel zijn, niet enkel lokaal.
313 n.Chr. – Edict van Milaan (Romeinse Rijk)
Keizer Constantijn erkent godsdienstvrijheid in het rijk. Een mijlpaal voor gewetensvrijheid.
528–534 – Corpus Iuris Civilis (Byzantium)
Justinianus bundelt het Romeinse recht. Veel latere continentale rechtsstelsels zoals het EU recht, rusten op deze codificatie. Concepten zoals eigendomsrechten, contractvrijheid, bescherming tegen willekeur werden hierin vastgelegd.
na 1066, – Engelse common law traditie
Na de Normandische verovering ontwikkelde zich in Engeland een systeem van gerechtelijke precedenten. Uitgangspunt: ook de koning is gebonden aan het recht. → Directe voedingsbodem voor de Magna Carta.
1215 – Magna Carta (Engeland)
De koning staat niet boven de wet. Bescherming tegen willekeurige detentie en belastingen zonder instemming; kiemen van habeas corpus en constitutionele beperking van macht.
1312 – Keure/Charter van Kortenberg (Brabant)
Vroege Lage-Landen-traditie: een raad met stedelijke vertegenwoordiging die de hertog kan controleren; periodieke zittingen; klachtenprocedure. Een lokaal, maar betekenisvol precedent van verantwoorde, gedeelde macht.
1356 – Blijde Inkomst (Brabant)
Duke-charter dat privileges en vrijheden bevestigt; opnieuw het idee dat heerschappij geconditioneerd is aan rechten en vrijheden.
1550–1551 – Valladolid-debat (Spaanse Rijk)
Las Casas vs. Sepúlveda over de rechten en waardigheid van inheemse volkeren. Geen wet, wél baanbrekende mensenrechtelijke argumentatie in de vroeg-moderne tijd.
1579 – Unie van Utrecht (Nederlanden)
Confessioneel complex, maar cruciaal: vrijheid van geweten en federale samenwerking. Het zaait ideeën van soevereiniteit gedeeld met provincies en tolerantie.
1581 – Plakkaat/Akte van Verlatinghe (Nederlanden)
De Staten-Generaal ontslaan Filips II van het gezag: wanneer een vorst tiranniek wordt, ligt het gezag bij het volk dat hem mag afzweren. Kernboodschap: soevereiniteit berust uiteindelijk bij de gemeenschap.
1598 – Edict van Nantes (Frankrijk)
Beperkte maar reële religieuze tolerantie voor hugenoten. (In 1685 weer ingetrokken; de spanning toont hoe fundamentele rechten om bestendiging vragen.)
1628 – Petition of Right (Engeland)
Parlement dwingt vier principes af: geen belastingen zonder instemming, geen detentie zonder rechtmatige grond, geen inkwartiering van troepen, geen krijgswet in vredestijd.
1679 – Habeas Corpus Act (Engeland)
Verankert dat niemand willekeurig gevangen mag worden gehouden; snelle rechterlijke toetsing verplicht.
1689 – Bill of Rights (Engeland)
Beperkt kroongeweld, waarborgt vrije verkiezingen, parlementaire vrijheid van meningsuiting, en verbiedt wrede en ongewone straffen. Groot internationaal voorbeeld.
1776 – Virginia Declaration of Rights (V.S.)
Stelt expliciet aangeboren rechten van de mens vast (leven, vrijheid, eigendom, geluk). Directe blauwdruk voor latere teksten.
1776 – United States Declaration of Independence (V.S.)
“Alle mensen zijn gelijk geschapen”, met onvervreemdbare rechten; overheden zijn er “to secure these rights” en ontlenen legitimiteit aan instemming van de geregeerden.
1789 – Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen (Frankrijk)
Mensen worden vrij en gelijk in rechten geboren; natuurlijk en onvervreemdbaar: vrijheid, eigendom, veiligheid, verzet tegen onderdrukking. Monumentale invloed op Europa en Amerika.
1791 – Amerikaanse Bill of Rights (V.S.)
Tien amendementen die o.a. menings-, pers-, religie- en vergaderingsvrijheid, wederrechtelijke doorzoeking en due process grondwettelijk borgen.
1804 – Code Napoléon (Frankrijk)
Grote gelijkheid voor de wet en uniforme civiele regels (met beperkingen vanuit zijn tijdsgeest). Enorm invloedrijk voor burgerlijk recht in Europa en daarbuiten.
1831 – Belgische Grondwet
Eén van de meest liberale van haar tijd: pers-, vereniging-, vergaderings- en godsdienstvrijheid, scheiding der machten; stevig fundament voor vrijheden in de Lage Landen.
1864 – Eerste Verdrag van Genève
Start van het moderne humanitair oorlogsrecht: bescherming van gewonden en medisch personeel in oorlog.
1899 & 1907 – Haagse Conventies
Regels over middelen en methoden van oorlog; verdere ontwikkeling van humanitair recht.
1945 – Handvest van de Verenigde Naties
Menselijke waardigheid en rechten als doel en maatstaf van internationale samenwerking.
1948 – Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM)
Wereldwijde bevestiging van waardigheid, vrijheid en gelijkheid van elke mens; moreel-juridisch kompas voor staten en instellingen.
1950/1953 – Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)
Rechten uitdrukkelijk afdwingbaar bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Straatsburg).
1966/1976 – IVBPR & IVESCR (VN-verdragen)
Burgerlijke/politieke én economische/sociale/culturele rechten krijgen verdragskracht; staten verbinden zich juridisch.
2000/2009 – EU-Handvest van de Grondrechten
Sinds Lissabon juridisch bindend binnen de EU: menselijke waardigheid, vrijheid, gelijkheid, solidariteit, burgerschap en justitie.
Geef een reactie